Bij 112 kwam een vreemd telefoontje binnen. De beller was een vijfjarig meisje genaamd Mia. Ze klonk bang en sprak fluisterend.

— Alsjeblieft, kom… Er fluistert iemand onder mijn bedje. Ik hoor ze, en ik ben heel erg bang… — haar stem trilde.
— Waar zijn je ouders, Mia?
— Ze geloven me niet… Ze zeggen dat ik het verzin… Maar ik hoor het echt. Nu ook… ik hoor het weer…
De centralist werkte al twaalf jaar bij de hulpdiensten, maar deze oproep bezorgde hem kippenvel. Het meisje loog duidelijk niet en maakte ook geen grapje.
— We sturen meteen agenten naar je toe. Blijf aan de lijn, goed?
Tien minuten later arriveerden agenten bij een huis aan de rand van de stad. Ze werden opengedaan door verbaasde ouders.
— Wat is er aan de hand? Heeft Mia weer iets verzonnen? — vroeg de vader terwijl hij zijn vrouw aankeek.
— We willen alleen even kijken, — zei de sergeant. — Mogen we haar kamer in?

Mia zat in een hoekje van haar kamer, haar knuffelbeer stevig in haar armen geklemd. Haar ogen stonden vol tranen. In stilte wees ze naar haar kleine bedje met het roze dekentje.
— De stemmen komen daar vandaan… — fluisterde ze.
Een van de agenten ging op zijn knieën en keek onder het bed. Er was niets — stof, een paar gevallen speeltjes, niets verdachts.
— Hier is niks, — begon hij op te staan. — Het lijkt erop dat iemand een levendige fantasie heeft. De ouders krijgen een waarschuwing voor een valse melding…
— Wacht even, — zei de andere agent plots scherp. Hij hief zijn hand. — Sst… stilte. Niemand maakt een geluid.
Er viel een doodse stilte in de kamer. Zelfs de ouders in de gang hielden hun adem in. Er ging een halve minuut voorbij… een minuut… En toen hoorden ze allemaal het geluid waar Mia het over had gehad. Toen ze opnieuw onder het bed keken, zagen ze iets verschrikkelijks 😨😱
En toen… weer. Een zacht, nauwelijks hoorbaar gefluister. Maar het was geen stem. Het was een geluid… alsof iets metalen krabde, gedempt door de aarde.
Alsof iemand… aan het graven was.
De agent ging op de grond zitten en begon op de planken te kloppen. In een hoek klonk het dof. De politie maakte snel een klein stuk parket los — en daaronder vonden ze een dunne laag aarde.

Ze haalden een schop uit de garage en begonnen te graven… en na een paar centimeter stuitten ze op een metalen deksel. Daaronder — een tunnel.
Er werd versterking opgeroepen. Twee uur later bleek dat er onder het huis en de aangrenzende percelen een heel netwerk van tunnels lag.
Daarin verstopten zich drie voortvluchtigen — voormalige gevangenen die maandenlang ondergedoken waren en een ontsnapping naar het buitenland voorbereidden, door een route onder de stad uit te graven.
Met speciale apparatuur werkten ze ’s nachts, proberen geluiden te vermijden — maar kleine Mia hoorde ze toch.
Dankzij het telefoontje van het meisje werden ze gepakt. Sindsdien slaapt Mia weer rustig.